Lever je goederen aan klanten in het buitenland of verricht je diensten voor buitenlandse afnemers? Dan kun je te maken krijgen met btw-verplichtingen buiten Nederland. Welk btw-tarief moet je toepassen? In welk land moet je btw betalen? En wie moet de btw uiteindelijk afdragen?
De btw-regels bij internationaal zakendoen zijn niet altijd eenvoudig. De juiste behandeling hangt onder andere af van het soort prestatie, het land van de afnemer en de vraag of je klant een ondernemer of particulier is. In dit artikel zetten we de belangrijkste aandachtspunten voor je op een rij.
In welk land is btw verschuldigd?
De eerste stap is bepalen in welk land jouw levering of dienst voor de btw plaatsvindt. Vindt de prestatie voor de btw in Nederland plaats? Dan gelden in principe de Nederlandse btw-regels. Vindt de prestatie in het buitenland plaats? Dan kun je te maken krijgen met de btw-wetgeving van dat land.
De plek waar je de werkzaamheden feitelijk uitvoert, is niet automatisch de plaats waar de prestatie voor de btw wordt belast. Een dienst die je vanuit Nederland verricht, kan bijvoorbeeld voor de btw toch in een ander land plaatsvinden.
Daarom is het belangrijk om onderscheid te maken tussen:
het leveren van goederen;
het verrichten van diensten;
zakelijke afnemers;
particuliere afnemers;
afnemers binnen en buiten de Europese Unie.
Goederen leveren aan een ondernemer binnen de EU
Lever je goederen aan een ondernemer in een andere EU-lidstaat? Dan is meestal sprake van een intracommunautaire levering. Je mag hiervoor het btw-tarief van 0% toepassen wanneer:
de goederen vanuit Nederland naar een andere EU-lidstaat worden vervoerd;
je afnemer een geldig buitenlands btw-identificatienummer heeft;
je kunt aantonen dat de goederen daadwerkelijk naar een andere EU-lidstaat zijn vervoerd.
Hoewel je 0% btw berekent, moet je de levering wel opnemen in je Nederlandse btw-aangifte en in de opgaaf intracommunautaire prestaties.
Je buitenlandse afnemer geeft in het eigen land een intracommunautaire verwerving aan en draagt daar de verschuldigde btw af.
Voorbeeld
Je levert goederen aan een ondernemer in Frankrijk. De afnemer beschikt over een Frans btw-identificatienummer en de goederen worden vanuit Nederland naar Frankrijk vervoerd.
Je past in Nederland het btw-tarief van 0% toe. De Franse afnemer geeft de verwerving in Frankrijk aan en berekent daar de Franse btw.
Goederen leveren aan particulieren binnen de EU
Verkoop je goederen aan particulieren in andere EU-lidstaten, bijvoorbeeld via een webshop? Dan is meestal sprake van een afstandsverkoop.
Volgens de hoofdregel bereken je de btw van het land waar de consument woont en waar de goederen naartoe worden vervoerd.
De Europese drempel van € 10.000
Voor ondernemers die alleen in Nederland gevestigd zijn, geldt een gezamenlijke Europese omzetdrempel van € 10.000 per kalenderjaar. Deze drempel geldt voor:
afstandsverkopen aan consumenten in andere EU-lidstaten;
bepaalde digitale diensten aan consumenten in andere EU-lidstaten.
Blijft de totale omzet onder € 10.000? Dan mag je onder voorwaarden Nederlandse btw blijven berekenen. Het vervoer van de goederen moet dan wel in Nederland beginnen.
De drempel geldt niet per land, maar voor alle andere EU-lidstaten samen.
Overschrijd je de grens van € 10.000? Dan moet je vanaf het moment van overschrijding de btw berekenen van het land waar de consument woont. Ook in het daaropvolgende kalenderjaar kun je de drempel dan niet toepassen.
Je kunt er ook vrijwillig voor kiezen om de drempel niet toe te passen. Dit kan bijvoorbeeld interessant zijn wanneer het btw-tarief in het land van de consument lager is dan het Nederlandse tarief. Houd er wel rekening mee dat dit extra administratieve verplichtingen kan opleveren.
Buitenlandse btw aangeven via het éénloketsysteem
Moet je bij afstandsverkopen de btw van verschillende EU-lidstaten berekenen? Dan hoef je je niet altijd in ieder land afzonderlijk voor de btw te registreren.
Je kunt gebruikmaken van het éénloketsysteem, ook wel de One Stop Shop of OSS genoemd. Via de Unieregeling geef je de buitenlandse btw aan bij de Nederlandse Belastingdienst. De Belastingdienst zorgt er vervolgens voor dat de btw bij de juiste EU-lidstaten terechtkomt.
Je kunt je voor de Unieregeling aanmelden via Mijn Belastingdienst Zakelijk.
Let er wel op dat je via de OSS-aangifte geen buitenlandse voorbelasting kunt terugvragen. Buitenlandse btw die aan jou in rekening is gebracht, moet je via een afzonderlijk teruggaafverzoek terugvragen.
Goederen leveren buiten de EU
Worden goederen vanuit Nederland naar een land buiten de Europese Unie vervoerd? Dan is sprake van uitvoer.
Over de uitvoer van goederen ben je in Nederland 0% btw verschuldigd. Je moet wel kunnen aantonen dat de goederen de Europese Unie daadwerkelijk hebben verlaten.
Ook deze levering neem je tegen 0% op in je Nederlandse btw-aangifte.
Bij bijzondere handelsconstructies kunnen andere regels gelden. Denk bijvoorbeeld aan:
ABC-leveringen;
dropshipping;
de levering van nieuwe vervoermiddelen;
goederen die rechtstreeks van een leverancier naar de klant worden verzonden.
Laat bij dergelijke situaties vooraf beoordelen welke btw-regels van toepassing zijn.
Diensten aan een ondernemer binnen de EU
Verricht je een dienst voor een ondernemer in een andere EU-lidstaat? Dan is de dienst volgens de hoofdregel belast in het land van de afnemer.
Je brengt in dat geval geen Nederlandse of buitenlandse btw in rekening. De btw wordt verlegd naar je afnemer. Je vermeldt dit op de factuur en neemt de dienst op in:
je Nederlandse btw-aangifte;
de opgaaf intracommunautaire prestaties.
De buitenlandse afnemer geeft de btw vervolgens in het eigen land aan.
Op deze hoofdregel bestaan verschillende uitzonderingen. Dat geldt onder andere voor diensten die betrekking hebben op:
onroerende zaken;
evenementen;
personenvervoer;
restaurant- en cateringdiensten;
kortdurende verhuur van vervoermiddelen.
Diensten aan een ondernemer buiten de EU
Diensten aan een ondernemer buiten de Europese Unie zijn volgens de hoofdregel belast in het land waar de afnemer is gevestigd.
Je neemt deze diensten meestal niet op in je Nederlandse btw-aangifte. Je moet wel onderzoeken welke btw-verplichtingen in het land van je afnemer gelden.
Ook hier kunnen uitzonderingen van toepassing zijn. Laat daarom vooraf beoordelen hoe je de dienst op de factuur en in je administratie moet verwerken.
Diensten aan buitenlandse particulieren
Verricht je een dienst voor een particulier in het buitenland? Dan is de dienst volgens de hoofdregel belast in Nederland en bereken je Nederlandse btw.
Ook op deze hoofdregel bestaan veel uitzonderingen, bijvoorbeeld bij:
diensten rondom onroerend goed;
vervoersdiensten;
restaurantdiensten;
bemiddelingsdiensten;
digitale diensten;
bepaalde reclame- en adviesdiensten.
Voor digitale diensten aan particulieren binnen de EU kan de omzetdrempel van € 10.000 van toepassing zijn. Bepaalde diensten aan particulieren buiten de EU zijn juist belast in het land waar de particuliere afnemer woont.
De Nederlandse kleineondernemersregeling
Heb je een jaarlijkse omzet van maximaal € 20.000 die belast is met Nederlandse btw? Dan kun je mogelijk deelnemen aan de kleineondernemersregeling, de KOR.
Wanneer je de KOR toepast:
breng je geen btw in rekening aan je klanten;
doe je in principe geen reguliere btw-aangifte;
kun je de btw op je zakelijke kosten en investeringen niet aftrekken.
De KOR is daarom niet voor iedere ondernemer voordelig. Vooral wanneer je veel investeert of voornamelijk zakelijke klanten hebt, kan deelname financieel ongunstig uitpakken.
De Europese kleineondernemersregeling
Sinds 1 januari 2025 kun je onder voorwaarden ook gebruikmaken van een kleineondernemersregeling in andere EU-lidstaten: de EU-KOR.
Je bepaalt zelf in welke EU-landen je de regeling wilt toepassen. In die landen hoef je dan geen btw in rekening te brengen en geen reguliere btw-aangifte te doen. Daar staat tegenover dat je de betaalde btw in die landen niet kunt aftrekken.
Om de EU-KOR te kunnen toepassen:
moet je hoofdvestiging in Nederland liggen;
mag je totale omzet in de Europese Unie maximaal € 100.000 bedragen;
moet je voldoen aan de nationale omzetgrens van het land waarin je de regeling wilt gebruiken.
Daarnaast moet je ieder kwartaal bij de Nederlandse Belastingdienst rapporteren hoeveel omzet je in de verschillende EU-lidstaten hebt behaald.
Buitenlandse btw terugvragen
Heb je in 2025 als ondernemer btw betaald in een andere EU-lidstaat? Denk bijvoorbeeld aan btw op:
hotelovernachtingen;
brandstof;
taxiritten;
congreskosten;
zakelijke goederen of diensten.
Dan kun je deze btw onder voorwaarden via de Nederlandse Belastingdienst terugvragen.
Een verzoek voor de teruggaaf van in 2025 betaalde buitenlandse btw moet uiterlijk vóór 1 oktober 2026 zijn ingediend. Dien je het verzoek te laat in, dan wordt de btw niet meer terugbetaald.
Het terug te vragen bedrag moet per EU-lidstaat minimaal € 50 bedragen. Grotere bedragen kun je soms al gedurende het kalenderjaar terugvragen. Hiervoor geldt een minimumbedrag van € 400 over een periode van ten minste drie maanden.
Laat je vooraf goed adviseren
Internationaal zakendoen biedt veel mogelijkheden, maar kan ook ingewikkelde btw-verplichtingen met zich meebrengen. De hoofdregels lijken soms duidelijk, maar juist de uitzonderingen bepalen vaak hoe je een levering of dienst moet behandelen.
Een verkeerde btw-behandeling kan leiden tot correcties, boetes of registratieverplichtingen in het buitenland. Laat daarom vooraf beoordelen:
in welk land jouw prestatie voor de btw plaatsvindt;
welk btw-tarief je moet toepassen;
of je de btw kunt verleggen;
welke aangiften en opgaven je moet indienen;
of registratie of deelname aan de OSS noodzakelijk is.
Doe je zaken met klanten of leveranciers in het buitenland en wil je weten welke btw-regels voor jou gelden? Neem dan contact op met de adviseurs van Holl & Gort. We bekijken jouw situatie en helpen je om aan de juiste Nederlandse en buitenlandse btw-verplichtingen te voldoen.
Bij Holl & Gort krijgen collega’s de ruimte om zich te ontwikkelen, mee te denken en nieuwe initiatieven op te pakken. Dat zie je ook terug in het verhaal van Milan Nijhuis. Wat begon als een bijbaan tijdens zijn studie, groeide uit tot een fulltime functie waarin hij zich bezighoudt met financiële administraties, automatisering en de verdere ontwikkeling van de afdeling F&C.
“Ik ben Milan Nijhuis, 26 jaar en geboren en getogen in Enschede,” vertelt hij. “Ik heb gestudeerd aan de Universiteit Twente, waar ik mijn bachelor International Business en mijn master Business Administration heb afgerond, met een specialisatie in Financieel Management.”
Binnen de afdeling F&C houdt Milan zich bezig met allerlei werkzaamheden rondom de financiële administraties van klanten. “We zorgen ervoor dat klanten altijd beschikken over tijdige en juiste cijfers, in plaats van dat ze moeten wachten op de jaarrekening van het vorige jaar.”
Daarnaast richt Milan zich op automatisering binnen het kantoor. “Het doel is dat we minder tijd kwijt zijn aan de saaie, repeterende taken en ons meer kunnen focussen op het leukere en nuttigere werk.”
Van werkstudent naar fulltime collega
Milan kwam bij Holl & Gort terecht toen hij begon met zijn masteropleiding. “Ik wilde graag een bijbaan die beter aansloot bij mijn studie. Daarvoor werkte ik als magazijnmedewerker, maar ik had altijd al interesse in financiën.”
Via-via hoorde hij dat Holl & Gort op zoek was naar werkstudenten. Na een prettig gesprek met René en Erik was hij eigenlijk direct overtuigd. “Ik ben vrij snel daarna begonnen en werkte tijdens mijn studie ongeveer 10 tot 12 uur per week.”
In eerste instantie had Milan niet de intentie om te blijven. “Ik wilde eigenlijk niet de accountancy in. Maar de partners vertelden mij dat ze al langer graag een F&C-afdeling wilden opzetten, alleen waren ze daar nog niet aan toegekomen. Ze wilden mij daar graag voor inzetten.”
Dat idee sprak Milan meteen aan. “Ik was direct enthousiast. Daarom besloot ik na het afronden van mijn studie toch fulltime bij Holl & Gort aan de slag te gaan.”
Leren door te doen
Inmiddels werkt Milan ongeveer drie jaar bij Holl & Gort. In die periode heeft hij zichzelf sterk ontwikkeld. “Ik heb enorm veel geleerd. In het begin had ik nog weinig tot geen ervaring met boekhouden, waardoor het soms best lastig was.”
Door de praktijk kreeg hij steeds meer gevoel bij het werk en bij alles wat komt kijken bij het voeren van een goede administratie. “Waar ik begon met het inboeken van een paar factuurtjes, ben ik nu verantwoordelijk voor een hoop administraties en heb ik regelmatig gesprekken met klanten over hun ondernemingen.”
Volgens Milan is leren een belangrijk onderdeel van zijn werk. “Ik heb veel mogen leren van mijn collega’s en heb altijd de ruimte gekregen om mij verder te ontwikkelen. En ik ben nog lang niet uitgeleerd; ik leer bijna dagelijks nog wel iets nieuws.”
Werken voor verschillende ondernemingen
Wat Milan leuk vindt aan zijn werk, is de afwisseling. “We doen werkzaamheden voor allerlei verschillende soorten ondernemingen. Holl & Gort heeft een heel breed klantenpakket, van apotheken en horeca tot vastgoedbedrijven en nog veel meer.”
Juist door met zoveel verschillende administraties te werken, leert hij veel. “Geen dag is eigenlijk hetzelfde. Er doen zich altijd weer nieuwe uitdagingen voor waarmee we klanten kunnen helpen en waar we zelf ook weer iets van leren.”
Meer tijd voor kwaliteit en advies
Naast zijn werkzaamheden voor klanten speelt Milan een actieve rol in de digitalisering en automatisering binnen Holl & Gort. Doordat hij veel met administraties werkt, leerde hij de boekhoudpakketten al snel goed kennen. “Mijn collega’s waren vooral gefocust op de jaarrekeningen, terwijl ik veel bezig was met de dagelijkse administraties. Daardoor kreeg ik steeds meer kennis van de systemen die we gebruiken.”
Ook volgde hij verschillende cursussen om zijn kennis verder uit te breiden. Die kennis deelt hij nu actief met collega’s.
Tijdens zijn werk met Basecone liep Milan tegen beperkingen aan. “Ik ging op zoek naar een ander pakket voor het verwerken van facturen en kwam uit bij Zenvoices. Ik kreeg van Holl & Gort veel tijd en ruimte om dit pakket te testen en kwam tot de conclusie dat het veel meer mogelijkheden bood voor ons.”
De partners vertrouwden op zijn advies en besloten geleidelijk over te stappen van Basecone naar Zenvoices voor het verwerken van facturen. Milan mocht deze overstap zelf begeleiden. “Ik was veel bezig met het testen van automatiseringsmogelijkheden, maar ook met het uitleggen van het pakket aan collega’s. Daarnaast ben ik bij een aantal klanten langs geweest om Zenvoices daar op te starten en medewerkers goed uit te leggen hoe het werkt.”
Volgens Milan heeft deze stap veel opgeleverd. “We zijn als kantoor aanzienlijk minder tijd kwijt aan het verwerken van repeterende facturen. Daardoor houden we meer tijd over om ons te focussen op de kwaliteit van de boekhouding.”
Ook klanten profiteren daarvan. “Zij hebben betere actuele cijfers tot hun beschikking en kunnen op basis daarvan belangrijke beslissingen maken voor hun onderneming. Klanten die zelf hun facturen boeken en die ik heb geholpen met de overstap, zijn ook erg enthousiast over Zenvoices.”
Digitalisering binnen de accountancy
Milan ziet dat digitalisering binnen de accountancy de afgelopen jaren al grote stappen heeft gemaakt, maar verwacht dat er nog veel meer gaat veranderen. “Er komen steeds meer mogelijkheden bij, waardoor repeterend werk steeds vaker wordt overgenomen door systemen. Met de snelle groei van AI zal dit alleen maar verder toenemen.”
Volgens Milan betekent dat vooral dat de inhoud van het werk verandert. “We zullen steeds minder tijd kwijt zijn aan het verwerken van facturen en bankmutaties, en juist meer tijd overhouden voor controles en advieswerkzaamheden.”
Vertrouwen en vrijheid
Wat Holl & Gort voor Milan een fijne plek maakt om te werken, is niet alleen het werk zelf. “Ik vind mijn werk erg leuk en uitdagend, maar daarnaast zit ik hier ook goed op mijn plek. We hebben een leuk en divers team van medewerkers en partners, waardoor er een prettige sfeer hangt op kantoor.”
Ook het vertrouwen dat hij krijgt, speelt daarin een belangrijke rol. “Holl & Gort biedt mij persoonlijk veel vertrouwen en vrijheid. Dat vind ik erg fijn.”
Trots op persoonlijke én gezamenlijke groei
Als Milan terugkijkt op de afgelopen jaren, is hij vooral trots op de ontwikkeling die hij zelf heeft doorgemaakt én op de ontwikkeling van de F&C-afdeling. “Sinds ik ongeveer tweeënhalf jaar geleden fulltime ben begonnen, heb ik mij persoonlijk enorm ontwikkeld.”
Daarnaast is hij destijds in zijn eentje begonnen met F&C. Inmiddels bestaat de afdeling uit vijf medewerkers. “Naast dat ik zelf nog veel leer, heb ik ook het gevoel dat ik al veel van mijn kennis kan delen met collega’s. Daardoor zie ik dat zij ook steeds meer groeien, en dat is mooi om te zien.”
De positieve reacties van collega’s en klanten maken hem trots. “Ik krijg regelmatig positieve feedback vanuit collega’s en klanten. Dat maakt mij zeker trots op het werk dat ik doe.”
Het verhaal van Milan laat goed zien hoe Holl & Gort ruimte biedt aan ontwikkeling, eigen initiatief en vernieuwing. Door vertrouwen te geven en samen te bouwen aan nieuwe manieren van werken, groeit niet alleen de organisatie, maar groeien ook de mensen binnen het kantoor mee.
Steeds meer ondernemers verdiepen zich in de waarde van hun bedrijf. Via platformen zoals Brookz en Dealsuite zijn gemiddelde transactiemultiples per sector eenvoudig te vinden. Hierdoor kan het lijken alsof een bedrijfswaardering niet ingewikkelder is dan het vermenigvuldigen van de EBITDA met een branchefactor.
Maar vertelt zo’n multiple ook daadwerkelijk wat een onderneming waard is?
Deze vraag stond centraal tijdens mijn afstudeeronderzoek bij Coralis. Ik onderzocht waarom een waardering op basis van een EBITDA-multiple regelmatig afwijkt van een waardering volgens de Discounted Cash Flow-methode, oftewel de DCF-methode. Daarnaast keek ik naar de manier waarop adviseurs deze verschillen beter kunnen uitleggen aan ondernemers.
Bedrijfswaardering is meer dan een rekensom
In de wereld van bedrijfsovernames worden multiples vaak gebruikt als eerste referentiepunt. Dat is begrijpelijk. Een multiple is overzichtelijk, snel toepasbaar en geeft een indicatie van wat er op dat moment in de markt wordt betaald voor vergelijkbare ondernemingen.
Stel dat bedrijven binnen een bepaalde sector gemiddeld worden verkocht voor vijf keer de EBITDA. Een ondernemer met een EBITDA van € 1 miljoen kan dan al snel concluderen dat zijn onderneming ongeveer € 5 miljoen waard is.
Toch is de werkelijkheid complexer.
Een koper kijkt namelijk niet
alleen naar de resultaten uit het verleden. Ook de toekomstige vrije kasstromen, groeiverwachtingen, risico’s en noodzakelijke investeringen spelen een belangrijke rol. Twee bedrijven met dezelfde EBITDA kunnen daardoor een totaal verschillende waarde hebben.
Daarom hanteert Coralis de DCF-methode als leidende waarderingsmethode. Bij deze methode wordt een onderneming beoordeeld op haar toekomstige verdiencapaciteit. De verwachte vrije kasstromen worden daarbij contant gemaakt tegen een rendement dat past bij het risicoprofiel van de onderneming.
Uit mijn onderzoek bleek dat discussies over waarderingen vaak niet ontstaan door de berekening zelf, maar door een verschil in perspectief. Waar een ondernemer zich doorgaans richt op een gemiddelde sectormultiple, kijkt een adviseur vooral naar de specifieke kenmerken en toekomstverwachtingen van de onderneming.
Welke factoren bepalen het verschil?
Tijdens mijn onderzoek sprak ik met adviseurs en een voormalige klant van Coralis. Uit deze gesprekken kwamen verschillende factoren naar voren die het verschil tussen een DCF-waardering en een waardering op basis van een multiple kunnen verklaren.
1. Financiële prestaties en groeiverwachtingen
Een sectormultiple is gebaseerd op transacties en marktgemiddelden. Daarbij wordt slechts beperkt rekening gehouden met de individuele groeiverwachtingen van een onderneming.
Een DCF-waardering kijkt juist naar de verwachte ontwikkeling van de omzet, winstgevendheid en vrije kasstromen. Een onderneming met sterke groeivooruitzichten, een schaalbaar bedrijfsmodel en gezonde marges kan daardoor hoger worden gewaardeerd dan een gemiddelde sectormultiple suggereert.
Andersom geldt hetzelfde. Wanneer de groeimogelijkheden beperkt zijn of de winstgevendheid onder druk staat, kan de DCF-waarde lager uitvallen dan de waarde op basis van een multiple.
2. Het risicoprofiel van de onderneming
Niet iedere onderneming binnen dezelfde branche heeft hetzelfde risicoprofiel. Denk bijvoorbeeld aan een sterke afhankelijkheid van één grote klant, één leverancier of de huidige eigenaar.
Ook de stabiliteit van inkomsten, de kwaliteit van het management en de mate waarin processen zijn vastgelegd, spelen een rol. Hoe groter de risico’s, hoe hoger het rendement dat een koper zal verlangen. Dit heeft een verlagend effect op de ondernemingswaarde.
Een algemene sectormultiple maakt deze bedrijfsspecifieke risico’s niet altijd voldoende zichtbaar.
3. Kapitaalintensiteit en investeringsbehoefte
EBITDA wordt vaak gebruikt omdat deze maatstaf een indicatie geeft van de operationele winstgevendheid. Toch houdt EBITDA geen rekening met investeringen die noodzakelijk zijn om de onderneming draaiende te houden of verder te laten groeien.
Een kapitaalintensieve onderneming kan bijvoorbeeld ieder jaar grote bedragen moeten investeren in machines, voertuigen, systemen of bedrijfsmiddelen. Hierdoor blijft er uiteindelijk minder vrije kasstroom over voor investeerders.
Een onderneming met dezelfde EBITDA, maar met een lagere investeringsbehoefte, kan daardoor aanzienlijk meer waard zijn. Dit verschil wordt in een DCF-analyse duidelijk zichtbaar, terwijl een eenvoudige EBITDA-multiple hieraan voorbijgaat.
4. De ontwikkeling van het werkkapitaal
Groei leidt niet automatisch tot meer beschikbare kasstromen. Een groeiende onderneming moet vaak ook meer geld investeren in voorraden, debiteuren en andere werkkapitaalposten.
Wanneer klanten pas na zestig dagen betalen, terwijl leveranciers eerder moeten worden betaald, moet de onderneming deze periode zelf financieren. Op papier kan de winst stijgen, terwijl er tegelijkertijd minder geld beschikbaar is.
Dit verklaart waarom boekhoudkundige winst niet hetzelfde is als vrije kasstroom. Omdat een DCF-waardering zich richt op kasstromen, wordt de invloed van het werkkapitaal hierin meegenomen.
5. Het normaliseren van de EBITDA
De gerapporteerde EBITDA geeft niet altijd een representatief beeld van de structurele prestaties van een onderneming. Er kunnen bijvoorbeeld incidentele kosten zijn gemaakt, zoals advieskosten, verhuiskosten of een eenmalige reorganisatie.
Ook kunnen er privégerelateerde kosten in de onderneming zijn verwerkt of kan de beloning van de eigenaar afwijken van een marktconform salaris. Andersom kunnen incidentele opbrengsten de resultaten juist positiever laten lijken.
Bij een bedrijfswaardering is het daarom belangrijk om de EBITDA te normaliseren. Hierbij worden eenmalige en niet-zakelijke posten gecorrigeerd, zodat een realistischer beeld ontstaat van de structurele winstgevendheid.
Waarom houden ondernemers zo sterk vast aan een multiple?
Een opvallende uitkomst van mijn onderzoek was de invloed van gedragsmatige factoren. Ondernemers gebruiken een sectormultiple vaak onbewust als vast referentiepunt.
Zodra iemand bijvoorbeeld heeft gehoord dat bedrijven in zijn branche voor zes keer de EBITDA worden verkocht, vormt dit getal het uitgangspunt voor alle verdere gesprekken. Een waardering die daaronder ligt, kan vervolgens al snel als onjuist of te laag worden ervaren.
Binnen de gedragswetenschap wordt dit de anchoring bias genoemd. Het eerste getal dat iemand ziet of hoort, fungeert als een ankerpunt. Nieuwe informatie wordt vervolgens met dit oorspronkelijke getal vergeleken, ook wanneer het eerste getal slechts een algemene indicatie was.
Hierdoor kunnen verschillen tussen een DCF-waardering en een multiple-waardering groter of onlogischer lijken dan ze daadwerkelijk zijn. Een duidelijke toelichting op de onderliggende aannames en value drivers is daarom minstens zo belangrijk als de waarderingsberekening zelf.
Een multiple is een referentiepunt, geen eindantwoord
Dat betekent niet dat multiples geen waarde hebben. Integendeel: ze bieden nuttige informatie over marktontwikkelingen en recente transacties. Ze kunnen worden gebruikt om een waardering te toetsen en om te beoordelen of een uitkomst in lijn ligt met de markt.
Een multiple moet alleen niet worden gezien als een op zichzelf staande waarderingsmethode die automatisch tot de juiste ondernemingswaarde leidt. Daarvoor zijn ondernemingen onderling te verschillend.
Een zorgvuldige waardering combineert daarom verschillende perspectieven. De DCF-methode geeft inzicht in de toekomstige verdiencapaciteit van de onderneming, terwijl multiples inzicht bieden in de manier waarop de markt naar vergelijkbare bedrijven kijkt.
De echte waarde zit in het verhaal achter de cijfers
De belangrijkste conclusie uit mijn afstudeeronderzoek is dat bedrijfswaardering meer is dan een financiële exercitie. Een berekening levert een bedrag op, maar de echte waarde van een waarderingsanalyse zit in de verklaring achter dat bedrag.
Waarom groeit de onderneming harder of minder hard dan de markt? Welke risico’s zijn aanwezig? Hoeveel moet er worden geïnvesteerd? Hoe afhankelijk is de onderneming van de eigenaar? En hoeveel van de winst verandert uiteindelijk in vrije kasstroom?
Pas wanneer de financiële prestaties, toekomstverwachtingen, risico’s en bedrijfsspecifieke kenmerken in samenhang worden beoordeeld, ontstaat een realistisch beeld van de ondernemingswaarde.
Want uiteindelijk is niet de vraag wat een gemiddeld bedrijf binnen een bepaalde sector waard is, maar wat uw onderneming waard is.
Wie bij Holl & Gort binnenkomt, ziet vaak als eerste een verzorgd kantoor, een professionele uitstraling en een organisatie waar veel achter de schermen soepel verloopt. Een van de mensen die daar al jarenlang een belangrijke rol in speelt, is Astrid. Inmiddels werkt ze al ruim 23 jaar bij Holl & Gort en heeft ze het kantoor door de jaren heen van dichtbij zien veranderen.
In 2003 startte Astrid als receptioniste. “Samen met een collega was ik destijds verantwoordelijk voor de binnenkomende telefonie en het overzetten van jaarrekeningen naar het volgende boekjaar in Excel,” vertelt ze. “Alles gebeurde toen nog handmatig. Er gingen heel wat papieren boekwerken doorheen en we waren daar dagelijks intensief mee bezig.”
Ook de manier van communiceren zag er in die tijd heel anders uit. E-mail werd nog nauwelijks gebruikt en veel correspondentie verliep per post. Astrid werkte de uitgaande correspondentie uit voor de toenmalige directie en verzorgde de poststukken. “We hadden zelfs nog een fysieke bibliotheek met wetteksten. Daarin verving ik maandelijks de wetswijzigingen en jurisprudentie.”
Meebewegen met digitalisering
Door de jaren heen veranderde het werk sterk. Software ontwikkelde zich, processen werden steeds verder gedigitaliseerd en veel handmatige werkzaamheden verdwenen langzaam naar de achtergrond. Voor Astrid betekende dit dat haar functie zich steeds verder kon ontwikkelen.
“Ik ben mij daarna steeds meer gaan richten op het verwerken van administraties voor onze klanten,” vertelt ze. “Dat heb ik ruim 15 jaar met veel plezier gedaan.” Toch merkte ze op een gegeven moment dat het verwerken van facturen, bankmutaties en btw-aangiftes steeds meer routine werd.
Met de komst van René veranderde haar rol opnieuw. “Mijn functie kreeg vrij snel een andere invulling. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de rol die ik nu heb als Office Manager.”
Een veelzijdige rol achter de schermen
Als Office Manager houdt Astrid zich vandaag de dag met veel verschillende werkzaamheden bezig. Zo is ze verantwoordelijk voor het aanmaken en verwerken van nieuwe ondernemingen die worden toegevoegd aan de klantenportefeuille. Daarnaast verzorgt ze de digitale facturatiestroom, is ze samen met het MT mede verantwoordelijk voor de debiteurenbewaking en behandelt ze de vragen die daaruit voortkomen.
Ook neemt Astrid deel aan de MT-overleggen. “Daar fungeren we met elkaar als klankbord en ik verzorg de notulen. Juist die combinatie van praktische, organisatorische en inhoudelijke werkzaamheden maakt mijn functie afwisselend.”
Die afwisseling is voor Astrid een belangrijk onderdeel van haar werkplezier. “Voor collega’s is het soms misschien niet altijd helemaal duidelijk wat ik precies allemaal doe,” zegt ze met een knipoog. “Maar dat maakt mijn werk juist zo leuk.”
Creativiteit op kantoor
Naast haar organisatorische taken vindt Astrid het leuk om haar creativiteit kwijt te kunnen. Zo ontwerpt ze presentaties in Canva en maakt ze banners voor verschillende gelegenheden, zoals de banenmarkt bij Saxion.
Op dit moment werkt ze aan het ontwerp van een doek voor een grote partytent die Holl & Gort gebruikt tijdens de Singelloop, andere sportieve evenementen en de jaarlijkse barbecue. “Ik vind het mooi om op die manier ook visueel bij te dragen aan de uitstraling van Holl & Gort.”
Ook tijdens de renovatie van het kantoor, zo’n drie à vier jaar geleden, speelde Astrid een actieve rol. Samen met Richard Vrooijink en een stylingteam dacht ze mee over de inrichting en uitstraling van het pand aan de Lasondersingel. “We hebben samen gezorgd voor een stijlvol en eigentijds resultaat dat echt recht doet aan het pand.”
Ruimte om te groeien
Wat het verhaal van Astrid laat zien, is hoe functies binnen Holl & Gort kunnen meegroeien met de organisatie, de tijd en de talenten van mensen zelf. Waar haar werk ooit begon met telefonie, post en handmatige Excel-processen, is haar rol inmiddels uitgegroeid tot een veelzijdige functie waarin organisatie, administratie, creativiteit en betrokkenheid samenkomen.
De afgelopen twee jaar pakte Astrid, bij gebrek aan een vaste marketingfunctie, ook diverse marketingwerkzaamheden op. “Ik heb dat zo goed mogelijk gedaan en vond het ook leuk om daarin mee te denken. Tegelijk ben ik erg blij dat er nu iemand is die zich daar volledig op kan richten.”
Bij Holl & Gort werken mensen die niet alleen hun vak verstaan, maar ook bereid zijn mee te bewegen, verantwoordelijkheid te nemen en bij te dragen aan de organisatie als geheel. Astrid is daar een mooi voorbeeld van.
“De afwisseling, de betrokkenheid en het feit dat geen dag hetzelfde is, maken dat ik hier al zo lang met plezier werk.”
De Subsidieregeling Praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijk- of werkleerplekken aan te bieden aan studenten die praktijkervaring opdoen binnen het bedrijf. Dit geldt onder andere voor mbo-studenten in een BBL-opleiding, hbo-studenten in de techniek of gezondheidszorg, promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding (toio’s).
Voor het studiejaar 2025–2026 kunnen werkgevers van 2 juni 2026, 09:00 uur, tot en met 17 september 2026, 17:00 uur, subsidie aanvragen via de RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). De subsidie bedraagt maximaal € 2.800 per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats, afhankelijk van het aantal weken begeleiding.
Voorwaarden op hoofdlijnen
Om in aanmerking te komen voor de subsidie, gelden onder andere de volgende voorwaarden:
De student volgt een erkende opleiding en heeft een geldige praktijkleerovereenkomst;
De werkgever is erkend als leerbedrijf via SBB (voor mbo);
Er is aantoonbare begeleiding geweest, bijvoorbeeld via aanwezigheidsregistratie en begeleidingsverslagen;
De begeleiding duurde minimaal 40 weken (mbo) of 42 weken (hbo), tenzij er sprake is van een korter traject.
Een juiste en volledige administratie is essentieel. De RVO voert steekproefsgewijs controles uit. Bij onvolledige gegevens kan de subsidie worden afgewezen of teruggevorderd.
Belangrijke data
Aanvraagperiode: 2 juni 2026 t/m 17 september 2026, 17:00 uur
Besluit en uitbetaling: uiterlijk 30 december 2026
Let op: de aanvraag verloopt digitaal via het RVO-loket en vereist eHerkenning niveau 3. Werkgevers kunnen eventueel een intermediair machtigen om de aanvraag in te dienen.
Waarom meedoen?
Financiële tegemoetkoming voor begeleiding en loonkosten;
Actieve bijdrage aan praktijkonderwijs en toekomstig vakmanschap;
Inspirerend voor bedrijven: talentvolle studenten met frisse inzichten.
Afgelopen vrijdag is de Voorjaarsnota 2026 gepresenteerd. Het is de Startnota van het kabinet en daarmee ook de vertaling van financiële afspraken uit het coalitieakkoord. U treft hier een selectie van de fiscale maatregelen uit de Voorjaarsnota.
De meeste maatregelen waren in het coalitieakkoord al opgenomen of al eerder bekendgemaakt door het vorige kabinet. Houd er rekening mee dat niet alle door het kabinet voorgenomen fiscale maatregelen rechtstreeks uit de Voorjaarsnota kunnen worden afgeleid. Er zijn dus nog andere voorgenomen fiscale maatregelen dan in dit artikel zijn opgenomen.
Let op! De impact van de recente geopolitieke spanningen is nog niet meegenomen in de Voorjaarsnota.
Vrijheidsbijdrage
Werkgevers en burgers gaan vanaf 2027 een bijdrage voor de veiligheid betalen.
Werkgevers gaan deze vrijheidsbijdrage betalen via een verhoging van de Aof-premie (totale opbrengst € 1,5 miljard in 2027 en vanaf 2028 structureel € 1,7 miljard per jaar). Over de invulling hiervan zal nog overleg plaatsvinden met ondernemersorganisaties.
Voor burgers vindt inning plaats via het niet volledig doorrekenen van de inflatie in de aanpassing van het tarief in de inkomstenbelasting (totale opbrengst € 1,5 miljard in 2027 en vanaf 2028 structureel € 3,4 miljard per jaar).
Bouwen en wonen
Op het gebied van bouwen en wonen is ook een aantal maatregelen af te leiden.
Via een faciliteit in de Vpb wordt de investeringscapaciteit van woningbouwcorporaties vanaf 2028 uitgebreid (beschikbaar per 2028 250 miljoen euro per jaar, oplopend tot structureel 325 miljoen euro per jaar vanaf 2032).
Vanaf 2027 geldt een nieuwe vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor overdrachten van onroerende zaken tussen woningcorporaties.
Het tarief in de overdrachtsbelasting voor de koop van woningen waar de koper zelf niet gaat wonen, wordt vanaf 2027 verlaagd van 8 naar 7%. Dit gaat bijvoorbeeld om verhuurwoningen of een vakantiewoning.
Ondernemers
Voor ondernemers komt uit de Voorjaarsnota o.a. het volgende naar voren:
Verhoging van het btw-tarief voor de levering van sierteeltproducten van 9 naar 21% vanaf 2028.
Tot en met 2035 komt er budget beschikbaar voor het verlagen van de elektriciteitsprijs van de (basis)industrie die veel elektriciteit verbruikt. Het bestedingsvoorstel hiervoor moet nog nader worden uitgewerkt.
Het maximum pensioengevend loon wordt vanaf 2027 tot en met 2032 bevroren op € 137.800 (= bedrag 2026).
Vanaf 2029 wordt het maximumdagloon met 20% verlaagd. Dit betekent dat de hoogste inkomens een lagere uitkering krijgen, maar ook dat het maximumpremieloon daalt. Om financiële gevolgen (minder premieontvangst door de overheid) te compenseren, komt er een lastenverzwaring, waarover het kabinet nog in overleg gaat met de sociale partners.
Over voorverpakte voedingsmiddelen met een suikergehalte van 6% of meer wordt vanaf 2030 een suikertaks geheven.
De teruggaafregeling voor accijns op biobrandstoffen wordt vanaf 2027 herzien. Hoe deze herziening eruitziet is nog niet bekend, maar houd er rekening mee dat de regeling (veel) minder gunstig zal worden.
Particulieren
Voor particulieren zijn, naast de vrijheidsbijdrage, ook de volgende maatregelen opgenomen:
De aftrek specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten wordt met ingang van 2028 volledig afgeschaft.
De verlaging van de brandstofaccijns op benzine loopt door tot en met 2027.
Voor de zorgtoeslag worden de vermogensgrenzen vanaf 2028 gelijkgesteld aan het heffingsvrij vermogen in box 3.
De invoering van de Wet herziening bedrag ineens, de mogelijkheid om een deel van het pensioen ineens uit te keren, wordt uitgesteld van 1 juli 2026 naar 1 januari 2029.
Aangekondigd was dat woningen in de schenkbelasting vanaf 2027 gewaardeerd zouden worden op de waarde in het economisch verkeer in plaats van op de WOZ-waarde. Deze maatregel wordt vanwege een negatieve Uitvoeringstoets echter niet ingevoerd.
Opmerkelijke belastingconstructies
Het kabinet komt vanaf de Voorjaarsnota 2023 jaarlijks met een lijst met opmerkelijke belastingconstructies. De bij de Voorjaarsnota 2026 gepubliceerde lijst bevat zeven constructies die in 2025 ook al op de lijst stonden en twee nieuwe. De nieuwe constructies zijn:
papieren schenkingen;
leningen met onzakelijke voorwaarden of een zogenoemde onzakelijke lening.
Minister van Financiën Eelco Heinen liet eind februari weten dat hij het door de Tweede Kamer al aangenomen wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wil aanpassen. Wat die aanpassingen precies inhouden, is nog niet duidelijk. Wat weten we al wel?
Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3
De Tweede Kamer stemde op12 februari 2026 in met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement dat in 2028 in zou moeten gaan.
Kort samengevat omvat het werkelijke rendement in deze wet zowel gerealiseerde als ongerealiseerde rendementen. Dit betekent dat naast de reguliere voordelen ook de jaarlijkse waardeontwikkelingen van bijvoorbeeld beleggingen tot het werkelijke rendement behoren. Voor deze vermogensaanwasbelasting geldt alleen een uitzondering voor onroerende zaken en aandelen in startups en scale-ups. Van deze vermogensbestanddelen behoort (naast de reguliere voordelen) alleen het gerealiseerde rendement – bijvoorbeeld bij verkoop – tot het werkelijke rendement.
Coalitieakkoord en opdrachten Tweede Kamer
In het coalitieakkoord is de wens opgenomen om het nieuwe box 3-stelsel van een vermogensaanwasbelasting (met enkele uitzonderingen) om te vormen naar een volledige vermogenswinstbelasting. De Tweede Kamer stemde ook niet van harte in met het wetsvoorstel en gaf de regering de opdracht mee om zo snel als mogelijk, maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029, een box 3-stelsel gebaseerd op een volledige vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief de dekkingsopties daarvoor.
Daarnaast gaf de Tweede Kamer de regering nog een aantal andere opdrachten mee, waaronder:
het uitwerken van een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven en bekijken hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogensaanwasbelasting belast kunnen worden in het nieuwe box 3-stelsel;
het mogelijk voor 1 januari 2028 reeds actualiseren van het vastgoedbijtellingspercentage en het doen van aanvullend onderzoek naar de rendementen op specifiek vakantiewoningen en het doen van een verkenning naar een uitvoerbare tegenbewijsregeling.
Let op! Onlangs gaf de Tweede Kamer de regering ook nog de opdracht om in het nieuwe box 3-stelsel een achterwaartse verliesverrekening van minimaal één jaar te introduceren.
Reactie staatssecretaris
De staatssecretaris van Financiën, Eelco Eerenberg, geeft in een Kamerbrief van 6 maart 2026 aan dat het kabinet er niet voor kiest om het huidige box 3-stelsel langer dan tot en met 2027 voort te zetten. Invoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028 is belangrijk, omdat het huidige systeem onhoudbaar is, aldus de staatssecretaris.
Het kabinet overweegt wel om het nieuwe box 3-stelsel op twee momenten aan te passen:
Het eerste moment betreft het aanpassen van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zoals dat nu bij de Eerste Kamer ligt. Het kabinet gaat in overleg met de Tweede Kamer om opties uit te werken die de vermogensaanwasbelasting verbeteren. Verder kijkt het kabinet naar invoering van een achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari 2029. Dit zou betekenen dat verliezen voor het eerst achterwaarts verrekend kunnen worden met box 3-inkomen uit 2028. Of een en ander uitvoerbaar is gezien de ICT-capaciteit, wordt momenteel in kaart gebracht. Ook de invulling van de budgettaire dekking is nog niet bekend.
Het tweede moment betreft het doorontwikkelen van een box 3-stelsel naar een volledige vermogenswinstbelasting, zo snel mogelijk na 2028. Dit kost tijd vanuit het perspectief van wetgeving, implementatie door de Belastingdienst en de gegevensuitwisseling door financiële instellingen. Ook de budgettaire impact moet worden meegewogen. Over het traject van deze doorontwikkeling stuurt de staatssecretaris voor de zomer van 2026 een Kamerbrief.
Verbetering definitie startende ondernemingen
In maart wordt een apart wetsvoorstel ter internetconsultatie aangeboden, waarin een verbeterde definitie van startende ondernemingen is opgenomen. De definitie van startende ondernemingen in het huidige wetsvoorstel sluit onvoldoende aan bij de kenmerken van start-ups en scale-ups. Het aparte wetsvoorstel verbetert dat en wordt met ingang van 1 januari 2028 in de Wet werkelijk rendement box 3 opgenomen.
Let op! Op Prinsjesdag 2026 zal waarschijnlijk pas echt duidelijk worden welke aanpassingen nog gedaan worden in het huidige wetsvoorstel. Op dat moment zal ook de budgettaire dekking van deze aanpassingen bekend moeten zijn.
Kan een dga een werkkamer in zijn woning met btw verhuren aan zijn bv en daardoor recht hebben op aftrek van btw met betrekking tot die werkkamer? Ook als die werkkamer ook in privé gebruikt wordt? Een gerechtshof vond in een bepaalde casus dat dit kon. Wat speelde hier?
Bouw woning met werkkamer en garage
Een dga en zijn partner laten samen een woning bouwen. Ze zijn samen eigenaar en gaan na gereedkomen van de woning daar ook samenwonen. In de woning is een werkkamer en een garage gemaakt. De werkkamer is bereikbaar via de centrale hal, maar ook via een deur naar de garage. De garage beschikt over een eigen uitgang naar buiten.
De dga heeft een bv waaraan hij na oplevering van de woning de werkkamer en de garage (belast met btw) verhuurt voor een bedrag van € 8.400 (exclusief btw per jaar). In de huurovereenkomst is gekozen voor verhuur met btw. De dga verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. De garage wordt gebruikt voor het stallen van de auto van de zaak en het opslaan van stukken van de bv.
De garage wordt ook voor 21% privé gebruikt en voor 79% zakelijk.
Aftrek btw bouwkosten werkkamer en garage?
De dga trekt in zijn btw-aangifte de volledige btw op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de btw op de bouwkosten van de garage af. De dga vindt dat dit mag, omdat hij de werkkamer en garage met btw verhuurt aan de bv.
Economische activiteit?
De Belastingdienst staat deze aftrek niet toe. Ten eerste vindt de Belastingdienst dat de verhuur geen economische activiteit is. De Belastingdienst meent dat de werkkamer niet over voldoende zelfstandigheid beschikt om verhuurd te kunnen worden aan een willekeurige derde.
Het gerechtshof oordeelt dat er wel sprake is van een economische activiteit. De werkkamer en garage worden voor een aantal jaren tegen een marktconforme huur aan de bv ter beschikking gesteld. Die bv is ook een derde. Daarmee is dan ook sprake van een economische activiteit. Niet relevant is of de werkkamer en garage in de ogen van de Belastingdienst onvoldoende zelfstandigheid bezitten om aan een willekeurige derde te verhuren.
Rechtstreeks en onmiddellijk verband?
Ten tweede vindt de Belastingdienst dat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de bouw van de woning (én werkkamer en garage) en de btw-belaste verhuur. De woning zou naar het oordeel van de Belastingdienst ook gebouwd zijn als er geen sprake was van ondernemingsactiviteiten.
Het gerechtshof is het niet eens met de Belastingdienst. De dga heeft vanaf het begin de intentie gehad om een deel van de woning zakelijk te gebruiken en tegen vergoeding te verhuren aan de bv. Dat is voor het gerechtshof voldoende om in aanmerking te komen voor aftrek van btw onder de voorwaarde dat er sprake is van btw-belaste activiteiten.
Btw-belaste verhuur?
De verhuur van de werkkamer en de garage moet dan wel met btw belast kunnen worden. De Belastingdienst vindt dat kiezen voor btw-belaste verhuur in dit geval niet mogelijk is, omdat de werkkamer en garage deels ook privé worden gebruikt.
Het gerechtshof vindt echter dat de keuze voor btw-belaste verhuur wel mogelijk is. Voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, kan gekozen worden voor btw-belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt. Omdat de werkkamer en garage hoofdzakelijk door de bv worden gebruikt en niet als woning, is btw-belaste verhuur mogelijk volgens het gerechtshof. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik.
Conclusie: btw-belaste verhuur én aftrek btw
Het gerechtshof concludeert dat btw-belaste verhuur van de werkkamer en garage mogelijk is. Als gevolg daarvan kan de dga de btw met betrekking tot die werkkamer en garage ook in aftrek brengen. Vanwege 21% privégebruik van de garage geldt de btw-aftrek met betrekking tot de garage maar voor 79%.
Let op! Elke casus staat op zichzelf en kan vanwege andere feiten en omstandigheden tot andere uitkomsten leiden. Overleg daarom met onze adviseurs over de btw-gevolgen in uw eigen situatie.
Als de Belastingdienst uw box 3-inkomen verminderde na de massaalbezwaarprocedure, stond uw definitieve aanslag daarna meteen onherroepelijk vast. Kon u eigenlijk uw box 3-inkomen nog anders verdelen met uw fiscale partner, waardoor dit fiscaal gunstiger voor u en uw partner zou zijn? De Belastingdienst vond dat dat niet meer kon, maar de Hoge Raad denkt daar anders over.
Kerstarrest
De Hoge Raad oordeelde in 2021 in het kerstarrest dat de forfaitaire box 3-heffing vanaf 2017 in strijd is met het Europees recht. De Hoge Raad bood in die casus rechtsherstel door aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Alle bezwaarschriften die meeliepen in de massaalbezwaarprocedure werden vervolgens in een collectieve uitspraak op bezwaar op 4 februari 2022 gegrond verklaard. Hierdoor kwamen die aanslagen allemaal onherroepelijk vast te staan. Een beroep bij de rechter was daarna niet meer mogelijk.
Andere verdeling box 3-inkomen partners
Fiscale partners kunnen hun box 3-inkomen in de aangifte onderling verdelen. In de wet is opgenomen dat een andere verdeling alleen kan tot het moment waarop de beide aanslagen onherroepelijk vaststaan. Aanslagen uit de massaalbezwaarprocedure kwamen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast te staan. Op grond van de wet was het daarom niet meer mogelijk om de verdeling van het box 3-inkomen na 4 februari 2022 aan te passen.
De Belastingdienst stuurde echter pas ná 4 februari 2022 de nieuwe berekeningen van het box 3-inkomen op basis van het rechtsherstel. Met dit nieuwe box 3-inkomen zou in bepaalde situaties een andere verdeling van het box 3-inkomen optimaler kunnen zijn. De Belastingdienst stond dit echter niet meer toe, omdat de aanslagen op 4 februari 2022 onherroepelijk vast waren komen te staan.
Oordeel Hoge Raad
Op 27 maart 2026 gaf de Hoge Raad antwoord op door rechtbank Den Haag gestelde vragen over deze situatie. De Hoge Raad antwoordde dat de belastingplichtige in zo’n situatie samen met zijn fiscale partner nog wel kan kiezen voor een andere verdeling van het box 3-inkomen.
De belastingplichtige en zijn fiscale partner hebben daar, naar het oordeel van de Hoge Raad, niet onbeperkt de tijd voor. Dit moet namelijk binnen zes weken na de beschikking waarin de Belastingdienst de aanslag verminderde als gevolg van het toegepast rechtsherstel.
Voorbeeld De Belastingdienst deed op 4 februari 2022 de collectieve uitspraak op bezwaar. De aangifte inkomstenbelasting 2019 werd door de Belastingdienst bijvoorbeeld op 20 juli 2022 bij beschikking verminderd als gevolg van het toegepaste rechtsherstel. U kon daarna nog binnen zes weken na 20 juli 2022 samen met uw fiscale partner verzoeken om aan andere verdeling van het box 3-inkomen.
De Tweede Kamer heeft een voorstel aangenomen om in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling voor een elektrische auto van de zaak toe te staan. Oorspronkelijk zou de lagere bijtelling met ingang van 2026 vervallen.
Bijtelling nieuwe elektrische auto in 2025
Als een werkgever in 2025 een nieuwe auto zonder CO2-uitstoot ter beschikking stelt aan een werknemer, geldt daarvoor in 2025 een bijtelling van 17% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Deze bijtelling blijft geldig gedurende 60 maanden nadat de auto voor het eerst op de weg is toegelaten.
Bijtelling nieuwe waterstofauto en auto met zonnepanelen in 2025
De beperking van de17%-bijtelling tot de eerste € 30.000 cataloguswaarde geldt alleen voor elektrische auto’s. Is er sprake van een auto zonder CO2-uitstoot die rijdt op waterstof, dan bedraagt de bijtelling 17% over de gehele cataloguswaarde. Ook voor een auto die voorzien is van geïntegreerde zonnepanelen die voldoen aan een aantal voorwaarden bedraagt de bijtelling 17% over de gehele cataloguswaarde.
Nieuwe auto vanaf 2026
De lagere bijtelling voor een in 2026 ter beschikking gestelde nieuwe auto zonder CO2-uitstoot zou vervallen. De Tweede Kamer heeft echter een voorstel tot wetswijziging aangenomen waardoor voor auto’s zonder CO2-uitstoot in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling geldt.
Deze lagere bijtelling bedraagt voor een in 2026 ter beschikking gestelde volledig elektrische nieuwe auto 18% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. In 2027 is dit 20% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Voor een nieuwe auto op waterstof en een nieuwe auto met zonnepanelen gelden dezelfde percentages. Net als nu geldt de beperking tot € 30.000 niet.
Vanaf 2028 vervalt dan de lagere bijtelling voor in 2028 ter beschikking gestelde nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot.
Let op! In het voorstel is opgenomen dat de lagere bijtelling, net als nu, geldig blijft gedurende 60 maanden nadat de auto voor het eerst op de weg is toegelaten.
Ook voor dga en de IB-ondernemer
De voorgestelde lagere bijtelling in 2026 en 2027 geldt niet alleen voor nieuwe auto’s die door een werkgever aan een werknemer ter beschikking worden gesteld. Deze geldt namelijk ook voor de dga en de IB-ondernemer met een auto van de zaak.
Let op! Het voorstel tot wetswijziging is nog niet definitief. De Eerste Kamer moet hier namelijk ook nog mee instemmen.