Lever je goederen aan klanten in het buitenland of verricht je diensten voor buitenlandse afnemers? Dan kun je te maken krijgen met btw-verplichtingen buiten Nederland. Welk btw-tarief moet je toepassen? In welk land moet je btw betalen? En wie moet de btw uiteindelijk afdragen?
De btw-regels bij internationaal zakendoen zijn niet altijd eenvoudig. De juiste behandeling hangt onder andere af van het soort prestatie, het land van de afnemer en de vraag of je klant een ondernemer of particulier is. In dit artikel zetten we de belangrijkste aandachtspunten voor je op een rij.
In welk land is btw verschuldigd?
De eerste stap is bepalen in welk land jouw levering of dienst voor de btw plaatsvindt. Vindt de prestatie voor de btw in Nederland plaats? Dan gelden in principe de Nederlandse btw-regels. Vindt de prestatie in het buitenland plaats? Dan kun je te maken krijgen met de btw-wetgeving van dat land.
De plek waar je de werkzaamheden feitelijk uitvoert, is niet automatisch de plaats waar de prestatie voor de btw wordt belast. Een dienst die je vanuit Nederland verricht, kan bijvoorbeeld voor de btw toch in een ander land plaatsvinden.
Daarom is het belangrijk om onderscheid te maken tussen:
- het leveren van goederen;
- het verrichten van diensten;
- zakelijke afnemers;
- particuliere afnemers;
- afnemers binnen en buiten de Europese Unie.
Goederen leveren aan een ondernemer binnen de EU
Lever je goederen aan een ondernemer in een andere EU-lidstaat? Dan is meestal sprake van een intracommunautaire levering. Je mag hiervoor het btw-tarief van 0% toepassen wanneer:
- de goederen vanuit Nederland naar een andere EU-lidstaat worden vervoerd;
- je afnemer een geldig buitenlands btw-identificatienummer heeft;
- je kunt aantonen dat de goederen daadwerkelijk naar een andere EU-lidstaat zijn vervoerd.
Hoewel je 0% btw berekent, moet je de levering wel opnemen in je Nederlandse btw-aangifte en in de opgaaf intracommunautaire prestaties.
Je buitenlandse afnemer geeft in het eigen land een intracommunautaire verwerving aan en draagt daar de verschuldigde btw af.
Voorbeeld
Je levert goederen aan een ondernemer in Frankrijk. De afnemer beschikt over een Frans btw-identificatienummer en de goederen worden vanuit Nederland naar Frankrijk vervoerd.
Je past in Nederland het btw-tarief van 0% toe. De Franse afnemer geeft de verwerving in Frankrijk aan en berekent daar de Franse btw.
Goederen leveren aan particulieren binnen de EU
Verkoop je goederen aan particulieren in andere EU-lidstaten, bijvoorbeeld via een webshop? Dan is meestal sprake van een afstandsverkoop.
Volgens de hoofdregel bereken je de btw van het land waar de consument woont en waar de goederen naartoe worden vervoerd.
De Europese drempel van € 10.000
Voor ondernemers die alleen in Nederland gevestigd zijn, geldt een gezamenlijke Europese omzetdrempel van € 10.000 per kalenderjaar. Deze drempel geldt voor:
- afstandsverkopen aan consumenten in andere EU-lidstaten;
- bepaalde digitale diensten aan consumenten in andere EU-lidstaten.
Blijft de totale omzet onder € 10.000? Dan mag je onder voorwaarden Nederlandse btw blijven berekenen. Het vervoer van de goederen moet dan wel in Nederland beginnen.
De drempel geldt niet per land, maar voor alle andere EU-lidstaten samen.
Overschrijd je de grens van € 10.000? Dan moet je vanaf het moment van overschrijding de btw berekenen van het land waar de consument woont. Ook in het daaropvolgende kalenderjaar kun je de drempel dan niet toepassen.
Je kunt er ook vrijwillig voor kiezen om de drempel niet toe te passen. Dit kan bijvoorbeeld interessant zijn wanneer het btw-tarief in het land van de consument lager is dan het Nederlandse tarief. Houd er wel rekening mee dat dit extra administratieve verplichtingen kan opleveren.
Buitenlandse btw aangeven via het éénloketsysteem
Moet je bij afstandsverkopen de btw van verschillende EU-lidstaten berekenen? Dan hoef je je niet altijd in ieder land afzonderlijk voor de btw te registreren.
Je kunt gebruikmaken van het éénloketsysteem, ook wel de One Stop Shop of OSS genoemd. Via de Unieregeling geef je de buitenlandse btw aan bij de Nederlandse Belastingdienst. De Belastingdienst zorgt er vervolgens voor dat de btw bij de juiste EU-lidstaten terechtkomt.
Je kunt je voor de Unieregeling aanmelden via Mijn Belastingdienst Zakelijk.
Let er wel op dat je via de OSS-aangifte geen buitenlandse voorbelasting kunt terugvragen. Buitenlandse btw die aan jou in rekening is gebracht, moet je via een afzonderlijk teruggaafverzoek terugvragen.
Goederen leveren buiten de EU
Worden goederen vanuit Nederland naar een land buiten de Europese Unie vervoerd? Dan is sprake van uitvoer.
Over de uitvoer van goederen ben je in Nederland 0% btw verschuldigd. Je moet wel kunnen aantonen dat de goederen de Europese Unie daadwerkelijk hebben verlaten.
Ook deze levering neem je tegen 0% op in je Nederlandse btw-aangifte.
Bij bijzondere handelsconstructies kunnen andere regels gelden. Denk bijvoorbeeld aan:
- ABC-leveringen;
- dropshipping;
- de levering van nieuwe vervoermiddelen;
- goederen die rechtstreeks van een leverancier naar de klant worden verzonden.
Laat bij dergelijke situaties vooraf beoordelen welke btw-regels van toepassing zijn.
Diensten aan een ondernemer binnen de EU
Verricht je een dienst voor een ondernemer in een andere EU-lidstaat? Dan is de dienst volgens de hoofdregel belast in het land van de afnemer.
Je brengt in dat geval geen Nederlandse of buitenlandse btw in rekening. De btw wordt verlegd naar je afnemer. Je vermeldt dit op de factuur en neemt de dienst op in:
- je Nederlandse btw-aangifte;
- de opgaaf intracommunautaire prestaties.
De buitenlandse afnemer geeft de btw vervolgens in het eigen land aan.
Op deze hoofdregel bestaan verschillende uitzonderingen. Dat geldt onder andere voor diensten die betrekking hebben op:
- onroerende zaken;
- evenementen;
- personenvervoer;
- restaurant- en cateringdiensten;
- kortdurende verhuur van vervoermiddelen.
Diensten aan een ondernemer buiten de EU
Diensten aan een ondernemer buiten de Europese Unie zijn volgens de hoofdregel belast in het land waar de afnemer is gevestigd.
Je neemt deze diensten meestal niet op in je Nederlandse btw-aangifte. Je moet wel onderzoeken welke btw-verplichtingen in het land van je afnemer gelden.
Ook hier kunnen uitzonderingen van toepassing zijn. Laat daarom vooraf beoordelen hoe je de dienst op de factuur en in je administratie moet verwerken.
Diensten aan buitenlandse particulieren
Verricht je een dienst voor een particulier in het buitenland? Dan is de dienst volgens de hoofdregel belast in Nederland en bereken je Nederlandse btw.
Ook op deze hoofdregel bestaan veel uitzonderingen, bijvoorbeeld bij:
- diensten rondom onroerend goed;
- vervoersdiensten;
- restaurantdiensten;
- bemiddelingsdiensten;
- digitale diensten;
- bepaalde reclame- en adviesdiensten.
Voor digitale diensten aan particulieren binnen de EU kan de omzetdrempel van € 10.000 van toepassing zijn. Bepaalde diensten aan particulieren buiten de EU zijn juist belast in het land waar de particuliere afnemer woont.
De Nederlandse kleineondernemersregeling
Heb je een jaarlijkse omzet van maximaal € 20.000 die belast is met Nederlandse btw? Dan kun je mogelijk deelnemen aan de kleineondernemersregeling, de KOR.
Wanneer je de KOR toepast:
- breng je geen btw in rekening aan je klanten;
- doe je in principe geen reguliere btw-aangifte;
- kun je de btw op je zakelijke kosten en investeringen niet aftrekken.
De KOR is daarom niet voor iedere ondernemer voordelig. Vooral wanneer je veel investeert of voornamelijk zakelijke klanten hebt, kan deelname financieel ongunstig uitpakken.
De Europese kleineondernemersregeling
Sinds 1 januari 2025 kun je onder voorwaarden ook gebruikmaken van een kleineondernemersregeling in andere EU-lidstaten: de EU-KOR.
Je bepaalt zelf in welke EU-landen je de regeling wilt toepassen. In die landen hoef je dan geen btw in rekening te brengen en geen reguliere btw-aangifte te doen. Daar staat tegenover dat je de betaalde btw in die landen niet kunt aftrekken.
Om de EU-KOR te kunnen toepassen:
- moet je hoofdvestiging in Nederland liggen;
- mag je totale omzet in de Europese Unie maximaal € 100.000 bedragen;
- moet je voldoen aan de nationale omzetgrens van het land waarin je de regeling wilt gebruiken.
Daarnaast moet je ieder kwartaal bij de Nederlandse Belastingdienst rapporteren hoeveel omzet je in de verschillende EU-lidstaten hebt behaald.
Buitenlandse btw terugvragen
Heb je in 2025 als ondernemer btw betaald in een andere EU-lidstaat? Denk bijvoorbeeld aan btw op:
- hotelovernachtingen;
- brandstof;
- taxiritten;
- congreskosten;
- zakelijke goederen of diensten.
Dan kun je deze btw onder voorwaarden via de Nederlandse Belastingdienst terugvragen.
Een verzoek voor de teruggaaf van in 2025 betaalde buitenlandse btw moet uiterlijk vóór 1 oktober 2026 zijn ingediend. Dien je het verzoek te laat in, dan wordt de btw niet meer terugbetaald.
Het terug te vragen bedrag moet per EU-lidstaat minimaal € 50 bedragen. Grotere bedragen kun je soms al gedurende het kalenderjaar terugvragen. Hiervoor geldt een minimumbedrag van € 400 over een periode van ten minste drie maanden.
Laat je vooraf goed adviseren
Internationaal zakendoen biedt veel mogelijkheden, maar kan ook ingewikkelde btw-verplichtingen met zich meebrengen. De hoofdregels lijken soms duidelijk, maar juist de uitzonderingen bepalen vaak hoe je een levering of dienst moet behandelen.
Een verkeerde btw-behandeling kan leiden tot correcties, boetes of registratieverplichtingen in het buitenland. Laat daarom vooraf beoordelen:
- in welk land jouw prestatie voor de btw plaatsvindt;
- welk btw-tarief je moet toepassen;
- of je de btw kunt verleggen;
- welke aangiften en opgaven je moet indienen;
- of registratie of deelname aan de OSS noodzakelijk is.
Doe je zaken met klanten of leveranciers in het buitenland en wil je weten welke btw-regels voor jou gelden? Neem dan contact op met de adviseurs van Holl & Gort. We bekijken jouw situatie en helpen je om aan de juiste Nederlandse en buitenlandse btw-verplichtingen te voldoen.
De Subsidieregeling Praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijk- of werkleerplekken aan te bieden aan studenten die praktijkervaring opdoen binnen het bedrijf. Dit geldt onder andere voor mbo-studenten in een BBL-opleiding, hbo-studenten in de techniek of gezondheidszorg, promovendi en technologisch ontwerpers in opleiding (toio’s).
Voor het studiejaar 2025–2026 kunnen werkgevers van 2 juni 2026, 09:00 uur, tot en met 17 september 2026, 17:00 uur, subsidie aanvragen via de RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). De subsidie bedraagt maximaal € 2.800 per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats, afhankelijk van het aantal weken begeleiding.
Voorwaarden op hoofdlijnen
Om in aanmerking te komen voor de subsidie, gelden onder andere de volgende voorwaarden:
- De student volgt een erkende opleiding en heeft een geldige praktijkleerovereenkomst;
- De werkgever is erkend als leerbedrijf via SBB (voor mbo);
- Er is aantoonbare begeleiding geweest, bijvoorbeeld via aanwezigheidsregistratie en begeleidingsverslagen;
- De begeleiding duurde minimaal 40 weken (mbo) of 42 weken (hbo), tenzij er sprake is van een korter traject.
- Een juiste en volledige administratie is essentieel. De RVO voert steekproefsgewijs controles uit. Bij onvolledige gegevens kan de subsidie worden afgewezen of teruggevorderd.
Belangrijke data
- Aanvraagperiode: 2 juni 2026 t/m 17 september 2026, 17:00 uur
- Besluit en uitbetaling: uiterlijk 30 december 2026
Let op: de aanvraag verloopt digitaal via het RVO-loket en vereist eHerkenning niveau 3. Werkgevers kunnen eventueel een intermediair machtigen om de aanvraag in te dienen.
Waarom meedoen?
- Financiële tegemoetkoming voor begeleiding en loonkosten;
- Actieve bijdrage aan praktijkonderwijs en toekomstig vakmanschap;
- Inspirerend voor bedrijven: talentvolle studenten met frisse inzichten.
Afgelopen vrijdag is de Voorjaarsnota 2026 gepresenteerd. Het is de Startnota van het kabinet en daarmee ook de vertaling van financiële afspraken uit het coalitieakkoord. U treft hier een selectie van de fiscale maatregelen uit de Voorjaarsnota.
De meeste maatregelen waren in het coalitieakkoord al opgenomen of al eerder bekendgemaakt door het vorige kabinet. Houd er rekening mee dat niet alle door het kabinet voorgenomen fiscale maatregelen rechtstreeks uit de Voorjaarsnota kunnen worden afgeleid. Er zijn dus nog andere voorgenomen fiscale maatregelen dan in dit artikel zijn opgenomen.
Let op! De impact van de recente geopolitieke spanningen is nog niet meegenomen in de Voorjaarsnota.
Vrijheidsbijdrage
Werkgevers en burgers gaan vanaf 2027 een bijdrage voor de veiligheid betalen.
- Werkgevers gaan deze vrijheidsbijdrage betalen via een verhoging van de Aof-premie (totale opbrengst € 1,5 miljard in 2027 en vanaf 2028 structureel € 1,7 miljard per jaar). Over de invulling hiervan zal nog overleg plaatsvinden met ondernemersorganisaties.
- Voor burgers vindt inning plaats via het niet volledig doorrekenen van de inflatie in de aanpassing van het tarief in de inkomstenbelasting (totale opbrengst € 1,5 miljard in 2027 en vanaf 2028 structureel € 3,4 miljard per jaar).
Bouwen en wonen
Op het gebied van bouwen en wonen is ook een aantal maatregelen af te leiden.
- Via een faciliteit in de Vpb wordt de investeringscapaciteit van woningbouwcorporaties vanaf 2028 uitgebreid (beschikbaar per 2028 250 miljoen euro per jaar, oplopend tot structureel 325 miljoen euro per jaar vanaf 2032).
- Vanaf 2027 geldt een nieuwe vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor overdrachten van onroerende zaken tussen woningcorporaties.
- Het tarief in de overdrachtsbelasting voor de koop van woningen waar de koper zelf niet gaat wonen, wordt vanaf 2027 verlaagd van 8 naar 7%. Dit gaat bijvoorbeeld om verhuurwoningen of een vakantiewoning.
Ondernemers
Voor ondernemers komt uit de Voorjaarsnota o.a. het volgende naar voren:
- Verhoging van het btw-tarief voor de levering van sierteeltproducten van 9 naar 21% vanaf 2028.
- Tot en met 2035 komt er budget beschikbaar voor het verlagen van de elektriciteitsprijs van de (basis)industrie die veel elektriciteit verbruikt. Het bestedingsvoorstel hiervoor moet nog nader worden uitgewerkt.
- Het maximum pensioengevend loon wordt vanaf 2027 tot en met 2032 bevroren op € 137.800 (= bedrag 2026).
- Vanaf 2029 wordt het maximumdagloon met 20% verlaagd. Dit betekent dat de hoogste inkomens een lagere uitkering krijgen, maar ook dat het maximumpremieloon daalt. Om financiële gevolgen (minder premieontvangst door de overheid) te compenseren, komt er een lastenverzwaring, waarover het kabinet nog in overleg gaat met de sociale partners.
- Over voorverpakte voedingsmiddelen met een suikergehalte van 6% of meer wordt vanaf 2030 een suikertaks geheven.
- De teruggaafregeling voor accijns op biobrandstoffen wordt vanaf 2027 herzien. Hoe deze herziening eruitziet is nog niet bekend, maar houd er rekening mee dat de regeling (veel) minder gunstig zal worden.
Particulieren
Voor particulieren zijn, naast de vrijheidsbijdrage, ook de volgende maatregelen opgenomen:
- De aftrek specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten wordt met ingang van 2028 volledig afgeschaft.
- De verlaging van de brandstofaccijns op benzine loopt door tot en met 2027.
- Voor de zorgtoeslag worden de vermogensgrenzen vanaf 2028 gelijkgesteld aan het heffingsvrij vermogen in box 3.
- De invoering van de Wet herziening bedrag ineens, de mogelijkheid om een deel van het pensioen ineens uit te keren, wordt uitgesteld van 1 juli 2026 naar 1 januari 2029.
- Aangekondigd was dat woningen in de schenkbelasting vanaf 2027 gewaardeerd zouden worden op de waarde in het economisch verkeer in plaats van op de WOZ-waarde. Deze maatregel wordt vanwege een negatieve Uitvoeringstoets echter niet ingevoerd.
Opmerkelijke belastingconstructies
Het kabinet komt vanaf de Voorjaarsnota 2023 jaarlijks met een lijst met opmerkelijke belastingconstructies. De bij de Voorjaarsnota 2026 gepubliceerde lijst bevat zeven constructies die in 2025 ook al op de lijst stonden en twee nieuwe. De nieuwe constructies zijn:
- papieren schenkingen;
- leningen met onzakelijke voorwaarden of een zogenoemde onzakelijke lening.
Kan een dga een werkkamer in zijn woning met btw verhuren aan zijn bv en daardoor recht hebben op aftrek van btw met betrekking tot die werkkamer? Ook als die werkkamer ook in privé gebruikt wordt? Een gerechtshof vond in een bepaalde casus dat dit kon. Wat speelde hier?
Bouw woning met werkkamer en garage
Een dga en zijn partner laten samen een woning bouwen. Ze zijn samen eigenaar en gaan na gereedkomen van de woning daar ook samenwonen.
In de woning is een werkkamer en een garage gemaakt. De werkkamer is bereikbaar via de centrale hal, maar ook via een deur naar de garage. De garage beschikt over een eigen uitgang naar buiten.
De dga heeft een bv waaraan hij na oplevering van de woning de werkkamer en de garage (belast met btw) verhuurt voor een bedrag van € 8.400 (exclusief btw per jaar). In de huurovereenkomst is gekozen voor verhuur met btw. De dga verricht in de werkkamer regelmatig werkzaamheden voor de bv. De garage wordt gebruikt voor het stallen van de auto van de zaak en het opslaan van stukken van de bv.
De garage wordt ook voor 21% privé gebruikt en voor 79% zakelijk.
Aftrek btw bouwkosten werkkamer en garage?
De dga trekt in zijn btw-aangifte de volledige btw op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de btw op de bouwkosten van de garage af. De dga vindt dat dit mag, omdat hij de werkkamer en garage met btw verhuurt aan de bv.
Economische activiteit?
De Belastingdienst staat deze aftrek niet toe. Ten eerste vindt de Belastingdienst dat de verhuur geen economische activiteit is. De Belastingdienst meent dat de werkkamer niet over voldoende zelfstandigheid beschikt om verhuurd te kunnen worden aan een willekeurige derde.
Het gerechtshof oordeelt dat er wel sprake is van een economische activiteit. De werkkamer en garage worden voor een aantal jaren tegen een marktconforme huur aan de bv ter beschikking gesteld. Die bv is ook een derde. Daarmee is dan ook sprake van een economische activiteit. Niet relevant is of de werkkamer en garage in de ogen van de Belastingdienst onvoldoende zelfstandigheid bezitten om aan een willekeurige derde te verhuren.
Rechtstreeks en onmiddellijk verband?
Ten tweede vindt de Belastingdienst dat er geen rechtstreeks en onmiddellijk verband is tussen de bouw van de woning (én werkkamer en garage) en de btw-belaste verhuur. De woning zou naar het oordeel van de Belastingdienst ook gebouwd zijn als er geen sprake was van ondernemingsactiviteiten.
Het gerechtshof is het niet eens met de Belastingdienst. De dga heeft vanaf het begin de intentie gehad om een deel van de woning zakelijk te gebruiken en tegen vergoeding te verhuren aan de bv. Dat is voor het gerechtshof voldoende om in aanmerking te komen voor aftrek van btw onder de voorwaarde dat er sprake is van btw-belaste activiteiten.
Btw-belaste verhuur?
De verhuur van de werkkamer en de garage moet dan wel met btw belast kunnen worden. De Belastingdienst vindt dat kiezen voor btw-belaste verhuur in dit geval niet mogelijk is, omdat de werkkamer en garage deels ook privé worden gebruikt.
Het gerechtshof vindt echter dat de keuze voor btw-belaste verhuur wel mogelijk is. Voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, kan gekozen worden voor btw-belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt. Omdat de werkkamer en garage hoofdzakelijk door de bv worden gebruikt en niet als woning, is btw-belaste verhuur mogelijk volgens het gerechtshof. Het privégebruik is ondergeschikt aan het zakelijke gebruik.
Conclusie: btw-belaste verhuur én aftrek btw
Het gerechtshof concludeert dat btw-belaste verhuur van de werkkamer en garage mogelijk is. Als gevolg daarvan kan de dga de btw met betrekking tot die werkkamer en garage ook in aftrek brengen. Vanwege 21% privégebruik van de garage geldt de btw-aftrek met betrekking tot de garage maar voor 79%.
Let op! Elke casus staat op zichzelf en kan vanwege andere feiten en omstandigheden tot andere uitkomsten leiden. Overleg daarom met onze adviseurs over de btw-gevolgen in uw eigen situatie.
De invorderingsrente op belastingschulden wordt vanaf 1 januari 2026 verhoogd van 4 naar 4,3%. Wanneer betaalt u invorderingsrente?
Hoogte invorderingsrente
Sinds 1 januari 2024 bedraagt de invorderingsrente 4%. Besloten is toen om dit percentage in ieder geval tot en met 2025 gelijk te houden, omdat dit percentage ook geldt voor terugvorderingen van toeslagen. Het kabinet vond het onwenselijk als hiervoor een hoger percentage zou gaan gelden.
Het is vanaf 2026 echter nog steeds niet mogelijk om in de systemen voor toeslagen een ander percentage toe te passen dan voor andere belastingen. Om die reden wil het kabinet het percentage ook in 2026 zoveel mogelijk gelijk houden en wordt de invorderingsrente slechts licht verhoogd naar 4,3%.
Let op! Het percentage van 4,3% geldt in ieder geval totdat het wel mogelijk is om voor toeslagen een ander percentage invorderingsrente te gebruiken dan voor belastingen.
Wanneer invorderingsrente?
Heeft u op de uiterste betaaldatum uw belastingen nog niet betaald? Dan bent u invorderingsrente verschuldigd vanaf de dag na de uiterste betaaldatum tot de dag waarop uw betaling door de Belastingdienst ontvangen is.
Coronabelastingschulden
U bent ook invorderingsrente verschuldigd over uw belastingschulden waarvoor u langdurig uitstel van betaling kreeg in verband met de coronacrisis. Deze schulden worden vanaf 1 oktober 2022 in principe in 60 gelijke maandelijkse termijnen afgelost. Bedraagt de invorderingsrente op deze schulden nu nog 4%, dit percentage gaat vanaf 1 januari 2026 dus omhoog naar 4,3%.
Afschaffing rente op toeslagen, invorderingsrente blijft in stand
Invorderingsrente is bij toeslagen verschuldigd als een terugvordering niet op tijd wordt betaald aan de Belastingdienst. De Belastingdienst vergoedt invorderingsrente als een nabetaling van toeslagen niet op tijd wordt uitbetaald aan de burger.
Bij een terugvordering of nabetaling kan echter ook rente in rekening gebracht of vergoed worden aan de burger. Dit is een andere rente dan de invorderingsrente. Deze rente wordt in rekening gebracht of vergoed vanaf 1 juli volgend op het jaar waarop de toeslag betrekking heeft (het berekeningsjaar) tot de datum van de definitieve toeslag waaruit de terugvordering of nabetaling blijkt.
Bij de Tweede Kamer ligt een wetsvoorstel om deze rente op terugvorderingen van toeslagen af te schaffen. Tegelijkertijd wordt ook de vergoeding van deze rente op nabetalingen van toeslagen afgeschaft. Het voorstel van afschaffing geldt alleen voor deze rente. De invorderingsrente blijft in stand.
Let op! De beoogde inwerkingtreding van de afschaffing van deze rente is vanaf het toeslagjaar 2026. De afschaffing van deze rente kent geen terugwerkende kracht naar toeslagjaren vóór 2026.
De Tweede Kamer heeft een voorstel aangenomen om in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling voor een elektrische auto van de zaak toe te staan. Oorspronkelijk zou de lagere bijtelling met ingang van 2026 vervallen.
Bijtelling nieuwe elektrische auto in 2025
Als een werkgever in 2025 een nieuwe auto zonder CO2-uitstoot ter beschikking stelt aan een werknemer, geldt daarvoor in 2025 een bijtelling van 17% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Deze bijtelling blijft geldig gedurende 60 maanden nadat de auto voor het eerst op de weg is toegelaten.
Bijtelling nieuwe waterstofauto en auto met zonnepanelen in 2025
De beperking van de17%-bijtelling tot de eerste € 30.000 cataloguswaarde geldt alleen voor elektrische auto’s. Is er sprake van een auto zonder CO2-uitstoot die rijdt op waterstof, dan bedraagt de bijtelling 17% over de gehele cataloguswaarde. Ook voor een auto die voorzien is van geïntegreerde zonnepanelen die voldoen aan een aantal voorwaarden bedraagt de bijtelling 17% over de gehele cataloguswaarde.
Nieuwe auto vanaf 2026
De lagere bijtelling voor een in 2026 ter beschikking gestelde nieuwe auto zonder CO2-uitstoot zou vervallen. De Tweede Kamer heeft echter een voorstel tot wetswijziging aangenomen waardoor voor auto’s zonder CO2-uitstoot in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling geldt.
Deze lagere bijtelling bedraagt voor een in 2026 ter beschikking gestelde volledig elektrische nieuwe auto 18% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. In 2027 is dit 20% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Voor een nieuwe auto op waterstof en een nieuwe auto met zonnepanelen gelden dezelfde percentages. Net als nu geldt de beperking tot € 30.000 niet.
Vanaf 2028 vervalt dan de lagere bijtelling voor in 2028 ter beschikking gestelde nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot.
Let op! In het voorstel is opgenomen dat de lagere bijtelling, net als nu, geldig blijft gedurende 60 maanden nadat de auto voor het eerst op de weg is toegelaten.
Ook voor dga en de IB-ondernemer
De voorgestelde lagere bijtelling in 2026 en 2027 geldt niet alleen voor nieuwe auto’s die door een werkgever aan een werknemer ter beschikking worden gesteld. Deze geldt namelijk ook voor de dga en de IB-ondernemer met een auto van de zaak.
Let op! Het voorstel tot wetswijziging is nog niet definitief. De Eerste Kamer moet hier namelijk ook nog mee instemmen.
Hoe wordt de nieuwe belastingrente vastgesteld?
De belastingrente wordt één keer per jaar opnieuw vastgesteld. De nieuwe rente gaat dan per 1 januari gelden. In een besluit is vastgelegd hoe dit moet gebeuren. Daarbij geldt als basis de voor 1 november van het voorafgaande jaar laatste gepubliceerde ECB-rente voor basisfinancieringstransacties.
Voor de belastingrente voor het jaar 2026 gaat het hierbij om de op 11 juni 2025 gepubliceerde ECB-rente voor basisfinancieringstransacties. Die bedraagt 2,15%. Vóór 1 november 2025 vond geen andere publicatie meer plaats.
Let op! In het besluit is ook opgenomen dat de belastingrente altijd wordt vastgesteld op een afronding van halve procenten. Leidt de berekening tot een andere belastingrente, dan vindt dus afronding plaats. Verder wordt het belastingrentepercentage ten opzichte van het bestaande belastingrentepercentage maximaal 2% hoger of lager.
Belastingrente IB 2026
Voor de IB wordt de hiervoor genoemde ECB-rente volgens het besluit verhoogd met 3%. Daarbij is ook opgenomen dat de minimale belastingrente altijd 4,5% is.
Met deze rekenregels bedraagt de belastingrente voor de IB in 2026 5% (2,15% + 3% = 5,15%, afgerond op halve procenten is dat dus 5%). In 2025 bedraagt de belastingrente voor de IB nog 6,5%.
Let op! Dit percentage geldt ook voor de meeste andere belastingen, onder meer de loonbelasting, omzetbelasting, dividendbelasting, erfbelasting et cetera.
Belastingrente Vpb 2026
Voor de Vpb wordt de hiervoor genoemde ECB-rente volgens het besluit verhoogd met 5,5%. Daarbij is ook opgenomen dat de minimale belastingrente altijd 5,5% is.
Met deze rekenregels bedraagt de belastingrente voor de Vpb in 2026 7,5% (2,15% + 5,5% = 7,65%, afgerond op halve procenten is dat 7,5%). In 2025 bedraagt de belastingrente voor de Vpb nog 9%.
Let op! Dit percentage geldt ook voor onder meer de bronbelasting en de minimumbelasting.
Nog geen officiële bekendmaking
Het belastingrentepercentage voor 2026 is nog niet door de Belastingdienst bekendgemaakt. Gebaseerd op het besluit komen de percentages uit op 5 en 7,5%, maar daarvan is dus nog geen officiële bevestiging.
Bezwaar belastingrente
Over de hoogte van de belastingrente loopt een procedure bij de Hoge Raad. Bezwaren tegen de belastingrente zijn aangewezen als zogenaamde massaalbezwaarprocedure. Dit betekent dat degenen die bezwaar maken tegen de belastingrente pas een uitspraak van de Belastingdienst krijgen als de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan.
Let op! Wilt u aansluiten bij deze massaalbezwaarprocedure, dan moet u op tijd een bezwaar indienen tegen de belastingrente. Neem voor meer informatie hierover contact op met onze adviseurs.
Noodzakelijke voorziening
Als de vergoeding van het internetabonnement gezien kan worden als een noodzakelijke voorziening, kunt u deze onbelast vergoeden. U kunt dan namelijk de gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen toepassen.
Er is sprake van een noodzakelijke voorziening als uw werknemer het internet nodig heeft voor zijn werk en ook gebruikt voor zijn werk. Daarvan zal bij een werknemer die thuiswerkt en daarbij internet nodig heeft dus sprake zijn. Het is dan niet van belang hoe veel de werknemer thuiswerkt.
Let op! Zelfs als uw werknemer in theorie zijn werk ook zou kunnen doen zonder internet, kunt u het internet toch onbelast vergoeden als u kunt aantonen dat de werknemer zijn werk met internet bijvoorbeeld beter kan doen dan zonder internet. Het gaat erom dat u kunt laten zien dat het internet naar uw redelijke oordeel noodzakelijk is voor het behoorlijk doen van het werk.
Volledige vergoeding?
De vraag is of u het volledige internetabonnement van de werknemer onbelast mag vergoeden. Veelal zal de werknemer immers ook privé gebruikmaken van het internet. Daar hoeft u echter geen rekening mee te houden. U mag dus de volledige kosten van het internet onbelast vergoeden.
Of een deel?
U hoeft uiteraard niet het volledige internet aan uw werknemer te vergoeden. Die keuze is aan u. Als u bijvoorbeeld het internet slechts vergoedt naar rato van het aantal thuiswerkdagen, kan die vergoeding ook gewoon onbelast. Datzelfde geldt als u aan uw werknemer een eigen bijdrage vraagt. Ook dan kan de vergoeding onbelast. Uiteraard moet het in beide situaties wel zo zijn dat uw werknemer het internet nodig heeft voor zijn werk en daarvoor ook gebruikt.
Tv en vaste telefoon
De meeste providers bieden naast internet ook een abonnement aan met internet, tv en vaste telefoon. De kosten van deze zogenaamde 3-in-1 pakketten mag u niet volledig onbelast vergoeden. De onbelaste vergoeding geldt alleen voor het internetdeel.
Dga
De gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen geldt in principe niet voor een werknemer met de functie bestuurder of commissaris. In principe kunt u het internet dus niet onbelast vergoeden aan de dga onder deze gerichte vrijstelling.
Let op! In de wet is hiervoor wel een achterdeurtje opgenomen. Als u aannemelijk maakt dat het vergoeden van het internetabonnement gebruikelijk is voor de behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, kunt u de gerichte vrijstelling toch toepassen. Wordt over het algemeen aan werknemers met een vergelijkbaar functieprofiel ook het internet vergoed, dan zal de vergoeding al snel gebruikelijk zijn.